Spiritualiteit

Start Agenda fotoalbum Spiritualiteit

Sint-Andriesabdij Zevenkerken

Sint-Andriesabdij Zevenkerken

 

 

Mystieke teksten, 2007

‘De vrijheid als doel van het geestelijke leven’

samenvatting

 

Tussen 2 februari en 23 maart 2007 vonden een zevental voormiddagen door in de Gregoriuszaal van de abdij. Telkens werd het zelfde onderwerp aangesneden: de vrijheid als doel van het geestelijke leven. Ziehier eerst de volgorde van de verschillende beurten, met het onderwerp en de spreker(s).

Op 2 feb 2007      De geestelijke vrijheid bij Paulus en Jezus door br Benoît Standaert

Op 9 feb 2007      De geestelijke vrijheid bij Jan van Ruusbroec door Zr. Mia Schoenmaeckers

Op 16 feb 2007      De geestelijke vrijheid bij de zalige dom Marmion door P. Leon Van Luchene

Op 2 mrt 2007      De geestelijke vrijheid bij Henri Nouwen door P. Nikolaas Devynck

Op 9 mrt     De geestelijke vrijheid bij Anselm Gruen door Linda Vercauteren en br Benoît Standaert

Op 16  mrt   De geestelijke vrijheid in Kluizenaars van Freddy Derwahl,  door Hilde Laureys en br Benoît Standaert

Op 23 mrt   De geestelijke vrijheid, tussen zen en christendom door Bieke Vandekerckhove en br Benoît Standaert

Laat ons dan de bijdragen van elk in grote lijnen samenvatten.

1. Paulus en Jezus.

Het semantische veld rond het bijbelse woord ‘vrijheid’ roept termen op zoals ‘zoon’, kind aan huis bij de vader, erfgenaam en staatsburger. Het staat tegenover ‘slaaf’ en al wat ‘verslaving’ betekent, zonder rechten, zonder erfgoed. Een ‘vrij’ bestaan is een geëngageerd leven, tegenover een besluitloos of parasitair bestaan, afhankelijk of zelfs geknecht. Vrijheid rijmt met vreugde, overwinning, verlossing. Vrijheid is zegevierend, triomfeert over alles wat knecht, bindt, angst aanjaagt. ‘Vrij tot in de dood’: zelfs die angst blijkt overwinbaar te zijn.

Paulus is binnen het Nieuwe Testament de grote denker van de geestelijke vrijheid. Bij hem vinden we de rijkste woordenschat met betrekking tot de vrijheid, of nog in enkele teksten die rechtstreeks van hem afhankelijk zijn, zoals Jakobus en de 1ste  brief van Petrus. Statistisch zijn 27 op de 41 uitdrukkingen van ‘vrijheid’ in de brieven van Paulus geattesteerd. De brief aan de Galaten wordt daarbij als ‘de Magna Charta van de christelijke vrijheid’ beschouwd (W. Grossouw). ‘Voor de vrijheid heeft Christus ons vrijgemaakt’, klinkt het daar krachtig, onomstootbaar als een stelling (Gal 5, 1).

            ‘Gerechtvaardigd door het geloof zijn wij in vrede met God door Jezus Christus onze Heer. Hij is het die ons door het geloof de toegang heeft ontsloten tot die genade waarin wij staan; door Hem ook mogen wij ons beroemen op onze hoop op de heerlijkheid van God. Meer nog, wij zijn zelfs trots op onze beproevingen, in het besef dat de verdrukking leidt tot volharding, volharding tot beproefde deugd en die weer tot hoop. En de hoop wordt niet teleurgesteld, want Gods liefde is in ons hart uitgestort door de heilige Geest die ons werd geschonken’ (Rom 5, 1-5). Die openingszin van het centrale gedeelte van de Brief aan de Romeinen brengt geloof, hoop, liefde ter sprake, Vader, Zoon en Geest, verleden, heden en toekomst. Alles wordt hier omvat vanuit de ene doorbraak van het heilsgebeuren in Christus Jezus. Vrij zijn betekent dat wij voortaan ‘gerechtvaardigd’ zijn, vergeven, verzoend, waarlijk in vrede, en dus geen slaaf meer van de zonde, ook niet meer onder een tuchtmeester moeten leven, onder de Wet of onder enige veroordeling. ‘Niet ik leef, maar Christus leeft in mij’. ‘Niet ik handel, maar de genade Gods door mij’. We zijn bewoond door een ander, we leven voortaan uit de Geest, en ‘waar de Geest is daar is vrijheid’ (2 Kor 3, 17). ‘Alles vermag ik in Hem die mij zijn kracht verleent’ (Fil 4, 13). Alles dragen, alles geloven, alles hopen, alles dulden, in die Liefde, die de verpersoonlijking zelf is van de inwonende Christus (1 Kor 13). In Christus worden al onze vermogens bevrijd en gericht op God en diens heerlijkheid. We ondergaan daarbij een proces van gestadige omvorming en groei in God (Fil 3). Van heerlijkheid in heerlijkheid (2 Kor 3, 18). Immers, alles in de schepping ziet uit naar ‘de vrijheid en de heerlijkheid van de kinderen Gods’, het ware doel van al wat bestaat, in ons en buiten ons (Rom 8, 21).

Van Jezus zijn slechts twee keer een woord over de vrijheid bewaard. Zie Mt 17, 24-27 (‘De kinderen zijn vrij’, en hoeven dus geen belasting te betalen als het om de tempel gaat) en Joh 8, 31-36 (‘Als de Zoon u vrijmaakt, zult u echt vrij zijn’. Of nog: ‘De waarheid zal u vrijmaken’). Maar in zijn handelen getuigde hij wel constant van zijn ongrijpbare vrijheid. Hij is niet te stuiten, niet te strikken, niet eens aan te houden tenzij in alle vrijheid. Zo ging hij ook vrijmoedig zijn zelf voorspelde dood tegemoet.

Een hele reeks verhalen (zoals de ontmoetingen met Zacheüs, de overspelige vrouw, de lamme die door het dak wordt binnengelaten, de vrouw die aan bloedvloeiingen leed of de Syro-Fenicische) laten ook zien hoe belangrijk het zich bewegen op de verticale as wel kan zijn binnen horizontaal vastgelopen situaties of gesprekken. Jezus vindt onweerstaanbaar al wie zich op die verticale as beweegt, en omgekeerd: wie kiest voor het verticale vindt hem en in hem de vrijheid en de genezing.

In de vele twistgesprekken bewijst hij nog zijn grootse vrijmoedigheid en onverschrokken vrijheid.

Ten slotte in Mt 11, 25 tot 30 zien we hoe hij met God een aparte vorm van wederkerigheid en hoogste vrijheid beleeft, en hoe hij die bovendien aanreikt aan eenieder die ervoor open wil staan (… en hij aan wie de Zoon Hem wil openbaren’). Mt 11, 27, verder toegelicht vanuit het slot van de parabel van de twee zonen en de onvoorstelbaar goede vader (Lc 15, 31-32), vormt een hoogtepunt in de zelfopenbaring van Jezus’ vrijheid als Zoon.

Jezus getuigt in heel zijn doen en laten, woorden en werken, van de vrijheid van de Zoon, Paulus van zijn kant reikt ons een theologie van de vrijheid aan. Aan die vrijheid hebben we deel door het doopsel, waar we met Christus zijn gestorven om met hem nu reeds te delen in de Geest van de opstanding. Die Geest is de ware bron van onze vrijheid.

2. Jan van Ruusbroec, Van den Blinkende Steen.

Zr Mia Schoenmaeckers leidt ons binnen in een apart hoofdstuk van een bijzonder boekje dat Ruusbroec schreef als toelichting op een reeks vragen van een Kartuizer. De Blinkende Steen is in vele opzichten een schitterend résumé van zijn kerngedachten rond het volwassen geestelijke leven.

In dit traktaatje schetst Ruusbroec het geestelijke leven volgens een viervoudig paradigma: de huurling, de trouwe dienaar, de intieme vriend, en de verborgen zoon. Ze vullen elkaar aan en zijn achtereenvolgens elkaars gelijke en elkaars tegengestelde. De groei is een gestadig proces van loslaten, ledig worden, verliezen van eigenheid om nog slechts in God en uit God te leven en te zijn. Tegelijkertijd is het een weg van verinnerlijking. God is immers de bron aan de binnenkant van ons geestelijk leven. Daar werkt Hij onafgebroken, uuteweerts. De verborgen zoon valt samen met die bron en leidt een dolend leven in Gods rijke liefdesgrond. Daar zijn geen vormen, geen wetten, geen bemiddelingen meer. De Zoon is dan ook het vrijste stadium in ons geestelijk groeien volgens Gods genade. We staan voor een limiet: de gerealiseerde staat is bijna onbeschrijfelijk, tenzij in negaties van al het andere en in paradoxen. Wie aanvaardt zich zo verloren te zien, ontdekt in zich een zekerheid die door niets meer in vraag kan worden gesteld. Alle andere stadia kennen nog een of ander vorm van angst en onzekerheid. Het eindresultaat is geen privilegie: ieder is er toe bestemd, maar naar gelang de ontvankelijkheid geraakt de ene bij de trouwe knechten, de ander bij de intieme vrienden en nog anderen bij de verborgen zonen. In elk van ons zit dus een huurling, een knecht, een vriend en een zoon. Zal God ons zo vrij en van alles onthecht vinden dat Hij met zijn genade ons kan brengen tot bij de verborgen rijkdom en roekeloze vrijheid van zijn Zoon?

Ruusbroec gaat verbazend ver. Onze narcistische cultuur met de terugbuigende neiging om alles op onszelf te betrekken en onze gerichtheid op zelfontplooiing, in vooral uiterlijke vormen maken zijn beschrijving voor velen vandaag haast onbegrijpelijk, zozeer zijn ze tegendraads. Het vergt moed om die bladzijden te lezen en proberen te verstaan: wie die moed opbrengt ontdekt onvermoede diepten waar Ruusbroec en anderen van zijn generatie of van zijn bronnen, zoals Eckhart of Bernardus, rustig en vrij zich konden bewegen. Hier worden we meegetrokken naar een grenzeloze vrijheidsbeleving, bijna even abstract als wat sommige boeddhistische teksten ons laten aanvoelen. Toch is alles ingebed in een warme, positieve en grondig optimistische visie op schepping en genade. Allen zijn we van meet af aan en tot het einde bestemd tot eenzelfde eenwording met de levende God van de Minne.

3. Dom Columba Marmion (1858-1923).

P. Leon neemt ons mee en leidt ons binnen in het leven van de Ierse priester die alles verlaat om in de jonge abdij van Maredsous in te treden. Relatief jong onderscheidde hij: ‘de schoonheid van de gehoorzaamheid’, als een ontvangen inzicht dat richtsnoer werd voor zijn hele leven. Hij gaf zich dan ook helemaal, in die voor hem zowel cultureel als persoonlijk harde school van het beginnend monniksleven. Vrijheid is overgave van de wil aan God in Christus. Gods wil  zelf is een plan van wijsheid, geopenbaard in Christus, en samengevat in het zoonschap. De grote zegening van Efeziërs 1, staat centraal in het gedachtegoed van dom Marmion.

De uittreksels uit de brieven zijn wellicht de beste toegang tot de ware Marmion, in zijn concrete levenskeuzes, zijn eerbied voor elk individu binnen zijn of haar levensgeschiedenis, zijn warmhartige menselijkheid met allerhande attenties, zijn vriendschap en trouw.  ‘Ik ben waar God wil dat ik ben’. ‘Niet zoals ik het wil, maar zoals Gij wilt, Heer’. ‘Ik geef mij geheel over in uw handen’. Hij weigert elk plan dat slechts het zijne zou zijn: aan Jezus laat hij over te beslissen wat zijn toekomst zal zijn. ‘Ik word meer en meer onthecht van alle schepselen en ik houd mijn oog gericht op de eeuwigheid’. Vele van die uitdrukkingen hernemen het gebed van Jezus te Getsemani en dat op het kruis, volgens Lucas (‘In uw handen beveel ik mijn geest’, naar Ps 31). (vgl het beroemde gebed van Fr. Charles de Foucauld, (‘Vader, ik verlaat mij op U’) dat precies rond die twee gebedsmomenten van Jezus cirkelt). In tekst 3 van de bloemlezing citeert hij een brief van Franciscus van Sales die heel tekenend is voor het scherpe onderscheid tussen onze wil en Gods wil: ‘We mogen over de dingen niet oordelen volgens onze smaak, maar volgens de smaak van God; ’t is het hoge woord. Zijn we heilig naar onze wil, dan zullen wij het nooit oprecht wezen; we moeten het zijn volgens den wil van God’.

Het klimaat van Marmions denken is uiterst warm en positief, gericht op het essentiële en ontstijgend aan moralisme of scrupuleuze angstvalligheid. Zijn denken wortelt in de Bijbel (Johannes en meer nog Paulus, maar dan vooral Efeziërs en Hebreeën!) en in enkele grote geestelijke schrijvers zoals Franciscus van Sales, Louis de Blois, Thomas van Aquino, naast uiteraard Benedictus en Bernardus. Als Thomist en als liturgist deelde hij in de op gang komende vernieuwing van het Thomistisch denken en van de liturgische beweging, in het begin van de XXe eeuw. Hij was voor zeer velen een lichtbaken binnen zijn generatie tot nagenoeg iets over het midden van vorige eeuw. Daarna taande zijn licht aanzienlijk. Toch blijft zijn inbreng stevig, oergezond, steeds hoopvol en veel radicaler dan men op eerste gezicht zou denken.  

4. Harrie of Henri Nouwen (1932-1996)

Na de Ierse benedictijn en abt van Maredsous, dom Columba Marmion, komen we steeds dichter bij onze generatie met de Nederlandse priester en fijne psycholoog die naar Amerika uitweek: Harrie of Henri Nouwen, in 1996 te Hilversum overleden, zeer plots, toen hij nog geen 65 jaar oud was. Een 40tal werkjes van zijn hand zijn in ons taalgebied verschenen. Eén van zijn eerst vertaalde in het Frans was: Een vreemdeling in het paradijs: het dagboek van zijn zeven maanden lange verblijf bij trappisten.

            P. Nikolaas situeerde eerst dit boek binnen het hele oeuvre en het leven van Nouwen. Hij was ongeveer 42 toen hij zich voor zes maanden terugtrok in de abdij van Gennessee bij een abt – John Eudes Bamberger –  die hij tien jaar eerder, in Gethsemani, had ontmoet als toenmalige novicenmeester (1964). Thomas Merton leefde toen nog.

In die dagboeknotities van zijn verblijf bij de trappisten van Gennessee, zien we een hoogst onrustige zoeker bijna dagelijks in gesprek met een toch wel uitzonderlijke abt, P. John Eudes Bamberger, toen al een gekend geestelijk schrijver, leerling van Thomas Merton, psychiater, en veteraan van de Vietnam-oorlog. Binnen deze zoektocht naar geestelijke vrijheid is H. Nouwen een heel aparte en zeer beminnelijke getuige:  hij geeft zich bloot in zijn nog onrijpe, onvolgroeide vrijheid en helpt ons misschien meer dan vele anderen om juist niet dezelfde fouten te doen waarin hij telkens weer vastloopt. Er zit iets tragikomisch in zijn verhaal. Tegelijk laat hij heel zuiver de stem van de meester horen, de stem van hem die waarlijk vrij is en mild en consequent zijn verdwalend schaap keer op keer de juist richting aangeeft, gesprek na gesprek. Het plezante van die dagboeknotities ligt op de eerste plaats misschien dat we er onszelf in kunnen herkennen, daar waar ook wij onvrij zijn. H. Nouwen is in deze bladzijden de nog onvrije profeet van de geestelijke vrijheid. Hij doet denken aan dat woord van Max Scheler, de grote filosoof moralist uit de eerste helft van de vorige eeuw, die van zichzelf zei, toen men hem vroeg waarom zijn leven zo verschillend was van zijn mooie ethische traktaten: ‘Ik ben als een wegwijzer. Die gaat ook niet in de richting die hij aanwijst’.

            P. Nikolaas reikte ons niet minder dan 8 volle bladzijden met meer dan 20 citaten uit dit ene boek. Tegelijk doorspekte hij zijn uiteenzetting met woorden uit de woestijnvaders en citaten uit de regel van Benedictus en uit het jongste boek van Wilfried Stinissen. Nouwen ontmoet zichzelf in het klooster, en in zichzelf veel onrust, woede, frustratie, boosheid. Hij weet dit allemaal op meesterlijke manier onder woorden te brengen en neer te schrijven. Hij onderkent daarbij hoe hij die negatieve gevoelens alleen aan zichzelf te wijten heeft en hoe het erop aan komt daarmee in het reine te komen, daarbij toegelicht en aangemaand door de woorden van de abt, hem persoonlijk gericht of onrechtstreeks opgevangen in conferenties en homilieën. De menselijkheid van deze notities ontroert en het is niet zo dat Nouwen niet weet waar het om gaat: hij wijst in exacte bewoordingen én waar het bij hem schort én wat de ware rust en harmonie tot stand brengt. We worden vrijer, denk ik, door te mogen luisteren naar dit innerlijke debat met meerdere stemmen: de stem van de traditie, de stem van de wijze abt en de stem van een nog worstelende zoeker die eerlijk zijn tekortkomingen op papier krijgt en ons dit alles te lezen geeft. Het schrijven zelf schept ruimte, een nederige ruimte want de getuige blijkt toch al enigszins verzoend met de zwakke kant van zijn bestaan.

            Helemaal op het einde, zes maanden na zijn verblijf in het klooster, noteert hij: ‘Ergens had ik verwacht dat mijn rusteloosheid in rust zou veranderen, mijn spanningen in een verstilde levenswijze en al mijn halfslachtigheid en twijfel in een volledig gericht-zijn op God. Dat is allemaal niet gebeurd’. Tot zichzelf komend, voegt hij er wijselijk aan toe: ‘Een klooster wordt niet gebouwd om problemen op te lossen, maar om God midden in de problemen te loven’. Dat vind ik de grote kentering en de kostbare parel van heel dit getuigenis. ‘Dat heb ik altijd wel geweten, voegt hij er nog aan toe, maar ik moest terugkomen in mijn oude drukke bestaan en daar geconfronteerd worden met mijn eigen rusteloze zelf om het te kunnen zien’. (uit de pagina’s 226-228). Was dit niet een zeer menselijke voormiddag in de buurt van een onvolwassen leerling die ons wellicht meer heeft geholpen dan sommige van de beste meesters?

            We mogen er nog dit aan toevoegen: de weg van Henri Nouwen eindigt niet bij deze lange retraite in de abdij van Gennessee. Later zal hij, na een edelmoedige en vergeefse poging om in Latijns-Amerika wortel te schieten, nog Jean Vanier en diens moeder en de communiteiten van de Ark ontmoeten. Hij zal zelfs tot een van die communiteiten toetreden, in Canada. Wellicht vormt zijn boek Eindelijk thuis, waarin hij het werk van Rembrandt over de thuiskomst van de verloren zoon commentarieert, de beste spiegel van zijn gerijptere geestelijke inzicht en vrijheid.

5.  Anselm Grün (°1945)

Linda Vercauteren heeft ons langs een viervoudig pad de wereld van Anselm Grün toegankelijk gemaakt: Ascese; omgang met gedachten en hartstochten, wonden en ziekte; gebed en meditatie, en de weg van de liefde.

            Anselm Grün is geen onbekende: in de zomer van 2002 was hij een heel weekend in ons midden. Zelf ken ik hem nog van in de tijd van onze studies te Sant’Anselmo (’69-’71). Hij zat in het zelfde jaar als P. Norbert. Het interessante van Anselm, in relatie tot dit thema van de geestelijke vrijheid, is wel dat dit thema telkens weer opduikt in nagenoeg al zijn werken omdat hij het zelf als centraal beschouwt. Bovendien wijdde hij een heel werkje exclusief aan dit thema: Wegen naar vrijheid. Zowel bijbels als Grieks filosofisch of modern psychologisch bespeelt hij dit thema grondig en inspirerend.

Linda werkte vanuit dat boekje en gebruikte daarnaast vooral nog Spiritualiteit van beneden (zeer gekend, en een van zijn beste, meest rake handleidingen, geschreven samen met een medebroeder) en Alles loslaten omdat Hij mij niet loslaat.(Dit laatste gaat over het religieuze leven, en met name over elk van de drie geloften. Het werd geschreven in samenwerking met een vrouw die geen religieuze is, Andrea Schwarz). Kort getypeerd: ‘Gehoorzaamheid is toelaten en aanvaarden wat ik ben en wat om mij leeft. Armoede is loslaten wat mij bezit en mezelf bevrijden tot volheid van leven. Kuisheid is mezelf overlaten aan God en delen in zijn beschikbaarheid’. Noteren we telkens de opvallende inversie die Anselm hier pleegt: niet loslaten wat ik bezit, maar ‘loslaten wat mij bezit’… Ook in de titel zit een paradox : alles loslaten omdat Hij mij niet loslaat.

Enkele citaten helpen om te verstaan hoe Anselm ons op weg zet naar ware vrijheid:

-          We kunnen onze emoties en hartstochten slechts hanteren wanneer we ze goed kennen. Het doel van onze strijd is de innerlijke vrijheid. Psychologisch uitgedrukt kunnen we zeggen: het doel is dat ik op een volwassen en evenwichtige manier kan omgaan met mijn emoties en mijn hartstochten, dat ik verzoend ben met mij zelf, met heel mijn mens zijn, dus ook met de schaduwzijde die mijn spirituele streven bevorderen. (uit: De hemel begint van binnen).

-          Vrijheid is een essentiële voorwaarde voor onze omgang met elkaar. Zolang we onszelf afhankelijk maken en een ander mens macht geven over ons, zijn we niet vrij. Vrijheid betekent echter niet dat we ons helemaal van anderen moeten distantiëren. De kunst is juist om conflicten aan te pakken zonder dat ze onze vrijheid beperken. We voelen ons niet gedwongen om elk conflict op te lossen en de ander voor ons te winnen. We laten het conflict gewoon toe. We staan er boven. Dat is echte vrijheid.

-          Als ik bij anderen de geborgenheid en het gevoel van thuis te zijn niet vind, dan moet ik die in mijzelf zoeken. Er is binnen mijzelf een plaats waar speldenprikken van mijn medemensen niet binnendringen, een ‘stiltecentrum’ waar God in mij woont, waar ik werkelijk thuis kan zijn omdat God geheimenisvol zelf in mij woont.

-          Dikwijls zien wij de zin van de ziekte niet in. Wij weten niet waarop zij ook zou kunnen wijzen. Maar juist in dat ontbreken van zin, in dit treuren om de verloren gezondheid, in de donkerheid van de pijn, kan zij ons openbreken voor God, zodat wij alle pogingen opgeven om ons vast te houden aan onszelf en wij ons overgeven aan God. (…) Soms blijft de betekenis van de ziekte een gesloten boek, dan rest ons alleen maar dat wij ons met de ziekte verzoenen, dat wij in ons ziek zijn overgeven aan God.

-          Het contemplatieve gebed brengt ons in de ruimte van stilte die in ons is maar waarvan we vaak afgesneden zijn. Evagrius noemt deze ruimte van stilte “de plaats van God”, en “het aanschouwen van de vrede”. (…) In deze stille ruimte zijn we echt vrij. Alleen God woont hier. (..) De God die in mij woont is altijd de bevrijdende God, de God die mij bevrijdt van de macht van mensen, van zelfverwijten, van zelfverachting. God bevrijdt mij van de druk die ik mezelf opleg, de prestatiedruk, het perfectionisme waarmee ik mezelf voortdurend opjaag om toch maar alles goed te doen en Gods geboden te vervullen. God ervaren is vrijheid ervaren. Als ik God beleef in mijn hart, ben ik vrij van mensen en vrij van mezelf.

-          Het doel van elke menswording en tevens het doel van elke spirituele weg is vrij zijn van elke vorm van afhankelijkheid, vrij zijn van de andere mensen en uiteindelijk vrij zijn van zichzelf. De spirituele mens is de waarachtig vrije mens die zijn leven niet laat bepalen door de wereld omdat hij doordrongen is van de Geest van God. En de Geest die Jezus ons beloofd en geschonken heeft, is altijd de Geest van vrijheid: ‘Waar de Geest van de Heer is daar is vrijheid’ (Paulus).

-          De vrijheid waar het geestelijke leven ons heen leidt is niet alleen een vrij zijn van uiterlijke invloeden, van passies en van de macht van mensen, maar ook een vrijheid tot overgave. Het is dus niet alleen een vrij zijn van iets, maar ook een vrij zijn voor iets. Een mens die vrij geworden is van zichzelf is ook vrij om zich aan anderen te geven, zoals Jezus van zichzelf gezegd heeft: ‘De grootste liefde die iemand zijn vrienden kan betonen bestaat hierin dat hij zijn leven geeft voor hen’.  Alleen wie vrij is van zichzelf kan zich onbaatzuchtig voor anderen inzetten. De liefde waartoe de volmaakte wet van de vrijheid ons oproept laat de mens vrij zijn, ze geeft een koninklijke waardigheid. Ze bewerkt vrede, maakt het voor de verscheurde mens mogelijk ja tegen zichzelf te zeggen en zo met zichzelf één te worden. Ware liefde verenigt en heelt de mens, ze maakt hem heel en dus vrij.

-          Angelus Silesius: ‘Wie de vrijheid liefheeft, heeft God lief. Wie God liefheeft, heeft ook de vrijheid lief!’.

Verzoend met zichzelf, vereend, gecentreerd, geworteld in het stiltecentrum waar God God mag zijn, bron en stroom van leven en liefde, zo verwerft de mens zijn volle waardigheid en deelt hij aan anderen in aanraking met hen, hun waardigheid mede. Vrijheid in de werken van Anselm Grün rijmt met onafhankelijkheid, eenheid, waardigheid, overgave, vrede. Als we goed luisteren, staat het evangelie van Paulus telkens centraal bij al deze beschouwingen.

6.  Freddy Derwahl, Kluizenaars

Na Anselm Grün, kwam Freddy Derwahl aan de beurt, voorgesteld door Hilde Laureys. Deze schreef een boek over kluizenaars, in het Duits. Het werd een bestseller, ook in vertaling. Het is uitverkocht (2001).

Freddy Derwahl is een jaar jonger dan Anselm Grün. Hij is een Duitssprekende Belg, geboren te Eupen. Studeerde te Leuven, Aachen en Parijs. Hij  heeft ooit een poging gedaan om trappist te worden in de VS. Hij is nu vader van vijf kinderen (onder wie één gehandicapt is). Hij schreef een roman waarvoor Heinrich Böll veel respect had, hij dicht nu en dan en werd journalist. Nog onlangs kwam hij uit met een vergelijkende presentatie van Benedictus XVI en Hans Küng (‘De ene kwam op de fiets, de ander met zijn Alfa’). Dankzij zijn goede vriend en kluizenaar Gabriël Bunge, gewezen monnik van Chevetogne, nu verblijvend nabij Lugano,  realiseerde hij dit kaleïdoscopische boek over ontmoetingen met kluizenaars, verspreid in Oost en West. Hij maakte er tegelijk een film van. Een eigentijdse presentatie, postmodern zou je kunnen zeggen. Zullen we bij het lezen van zo’n boek de geestelijke vrijheid op het spoor komen? Geestelijke vrijheid groeit bij het lezen, en met name het lezen van levendige getuigenissen. Is er dan vrijheid te vinden in dit zijdelingse getuigenis?

Hilde Laureys heeft zich die vraag aangetrokken. Ze gaf ons een ruime bloemlezing mee: aangezien het boek niet meer te vinden is tenzij in bibliotheken of bij vrienden, is die bloemlezing zeker welgekomen. Dankzij P. Edmond lukte het haar om ook beelden te laten zien van de woestijn in Egypte of uit het Sinaï-gebergte.

We lazen uittreksels uit een vijftal opgetekende ontmoetingen (onder wie Gabriël Bunge, de Boeddha en Bob Lax, dichter en jeugdvriend van Thomas Merton), telkens aangevuld met persoonlijke, dichterlijke nabeschouwingen. Het is een onbegonnen werk om die verschillende diepgaande paragraafjes te willen resumeren. Laat ik me beperken tot het nawoord dat tevens een antwoord geeft op de vraag: waarin bestaat dan die geestelijke vrijheid, tegengekomen in die verschillende ontmoetingen?

‘Doorheen deze verhalende ontmoetingen licht niet weinig het portret op van de geestelijke vrije mens of kluizenaar. Enkele karakteristieken treden duidelijk naar voren en fungeren als zovele richtingwijzers naar geestelijke vrijheid, heelheid en heiligheid.

Geestelijk vrije mensen of kluizenaars zijn bewogen en bewoonde persoonlijkheden door de Geest. Blijmoedig trekken zij ten strijde tegen alles wat hun verlangen naar de grootse vrijheid barricadeert.

Geestelijk vrije mensen of kluizenaars speuren naar het bruisende hart van de stilte. Het avontuur van de eenzaamheid nemen zij au sérieux. Ze stellen zich onder het geopenbaarde Woord. Verstild zijn ze thuisgekomen bij God en zichzelf. Elke creativiteit en vruchtbaarheid wortelt in het opborrelende water van de ontdekte oase. Het suizen van de zachte bries zal hun luisterend oor niet ontgaan.

Kluizenaars houden als kinderen van de verrijzenis de verhoopte toekomst voor ogen: het visioen van vrede, universele broederschap, het schouwen van de lichtende Schoonheid en het welriekende offer van de lofprijzing van de Naam.

Kluizenaars laten het wonder van de schepping in fauna en flora aan zich toe.

Ze zijn hartstochtelijk verliefden en geliefden. Ze weten zich bemind door de Heer. Hun verlangen naar de ontmoeting houden ze levend brandend.

Kluizenaars weten zich rouwmoedig verzoend en vergeven. Zij gaan niet prat op eigen prestaties maar leven van genade in genade. Hun naakte armoede weten zij te beamen en niet in schaamte te verdringen.

Ze incarneren mededogen, zachtmoedigheid. Hun hart is ruim en wil elk mensenhart en –leed dragen onder de zon. Achter het netvlies van hun oog en geheimenisvolle oceaan van droefheid en verdriet.

Geestelijk vrije mensen of kluizenaars houden van gezonde paradoxen. Als narren van God weten zij te dedramatiseren en humoristisch, vertrouwvol in te spelen op tegenslagen. 

Kluizenaars dragen de verwondering en levensvreugde van het kleine kind’.

7. Geestelijke vrijheid tussen christendom en zen

Reeds bij Freddy Derwahl verscheen de Boeddha even op het toneel. Tegenwoordig beleven we onze geestelijke vrijheid mede uitgedaagd door anderen: andersdenkenden, of ze nu soefi’s zijn, Joden of boeddhisten. Dezen interpelleren ons in onze kern, in wat ons vrij maakt.  Bieke Vandekerckhove kwam getuigen over de relatie ‘boeddhisme en christendom’ vanuit haar beleving. Bieke legt al jaren een weg af tussen oevers die stuk voor stuk bewust bevrijdend zijn. Velen kennen haar vanuit haar commentaren in Tertio op het werk van Eric Emmanuel Schmitt. Met trouw en een zekere graagte zoekt ze een plaats zoals de Sint-Sixtusabdij te West Vleteren op, met die aparte praktijk van monniken om psalmen te bidden. Ook met Egmond in Nederland, bij de zusters van Sint-Lioba, is ze vertrouwd. Avontuur van stilte, vriendschap en gebed. En dan is er de zen meditatie zelf, beoefend onder leiding van meesters, onder meer met Ton Lathouwers uit Nijmegen. Vooral die relatie ‘zazen en christendom’ boeit haar, houdt haar wakker en alert. Het raakt direct ons thema van de geestelijke vrijheid, beleefd op de naad van twee grote tradities.

 Ze heeft het dus gewaagd deze voormiddag voor ons te verzorgen. Na een korte inleiding liet ze ons een film van een halfuur zien waarin ze voorkomt, zowel bij zenmeditaties in groep als in West Vleteren tijdens gebeddiensten. Ze geeft daar kort haar geschiedenis weer, met het plotse bericht dat heel jong binnenkreeg dat  ze namelijk een ongeneeslijke ziekte had, waarbij het perspectief op de dood zeer nabij kwam. In de tweede helft treedt ze in gesprek met de zenleraar Ton Lathouwers over hoe het onmogelijke toch doen. De paradoxale gedachten van dit aangrijpend getuigenis wisselen af met beelden van een eenzame zwemster in een zwembad, duikend en nu eens boven dan weer onder water gefilmd. De kunstenaar die dit filmpje in elkaar stak getuigde op zijn manier hoe hij de overkant van zin en onzin, van tragiek en schoonheid, en dus van vrijheid in onmacht had begrepen.

De uiteenzetting van Bieke was doorspekt met citaten uit beide tradities: de boeddhistische en de christelijke. Vanuit een hymne tot de heilige Geest, gezongen in West-Vleteren bij de Terts, ontwikkelt ze een convergerende benadering van het geheim van de Geest op de bodem van een doorleefde stilte, zowel in Oost als in West. Han Fortmann en Ton Lathouwers spelen daarbij een grote rol in haar beschouwingen. Toch enkele citaten die iets oproepen van de vrije ruimte waarin we behoedzaam werden binnengeleid in deze voormiddag:

-          De diepste betekenis van elke religie, inclusief zen, ligt precies daarin dat ze ons op het punt brengt waar we ontdekken dat we onszelf niet kunnen redden, hoe groot onze inspanning ook is. En de diepste vrede des harten, verlossing of verlichting is juist in deze ontdekking gelegen en in de daaruit voortvloeiende totale en onvoorwaardelijke overgave. (Shibayama Zenkei)

- Ga daar staan waar geen plek is om te staan. Anders geformuleerd: geloof, wanneer er nog niets is om in te geloven. Vertrouw, wanneer er nog geen enkel motief is om vertrouwen te hebben.  (Hisamatsu)

- Grote dood, grote vertwijfeling en groot ontwaken. (zengezegde)

- Het belangrijkste kan niet gezocht worden, het moet worden afgewacht. (Simone Weil)

Bieke besloot haar bedenkingen door stil te staan bij een drietal levenshoudingen die in de monastieke tradities van Oost en West bewust  gecultiveerd worden : het gevoel voor het alledaagse, een beginnersmentaliteit, met zin voor humor, en ‘kies niet maar neem alles en aanvaard wie je bent, zoals je “gebekt” bent’. Ik citeer haar slotbemerkingen:

‘Waarom het boeddhisme als we het in de eigen traditie even goed hebben?

Misschien denk je na deze uiteenzetting: waarom je onderdompelen in een traditie uit een totaal andere cultuur, als we het allemaal ook in onze eigen traditie hebben? En inderdaad, iemand kan een goede christen zijn, en niets met het boeddhisme te maken hebben. Toch kan ik alleen maar zeggen dat ik, als christen, de ontmoeting met het boeddhisme ongelooflijk verrijkend vind, en dat ik ze voor geen goud zou willen missen! Nergens onderging ik een dergelijke intensiteit aan stilte als die tijdens een meerdaagse beoefening van zazen. In christelijke kerken is er - in het beste geval - stilte na het woord. Bij zenmeditatie primeert de stilte, en klinkt er, een enkele keer, een woord vanuit de stilte. Onvoorstelbaar hoeveel dieper een woord binnenkomt als je de hele dag gezwegen hebt! Voor mij is deze stilte-beoefening van zen een geschenk, dat ik dankbaar en met twee handen aanneem. Misschien is het wel waar wat Khalil Gibran schrijft, ‘dat de waarheid de stilte verkiest om haar betekenis over te brengen op liefhebbende zielen’. In ieder geval  was het de stilte die mij bij de essentie bracht, waar ik oog in oog met de dreiging van een vroegtijdige dood zo naar hunkerde. Zoals een vrouw na een week stilte in gevat Frans zei: ‘Dans le silence, on n’entend que l’essentiel.’

De voormiddag werd beëindigd met het reciteren van een hymnische soetra, gericht tot ‘de Wijsheid die voorbij alle wijsheid’ is (Prajnaparamita soetra van Rahulabhadra).

* * *

Na die zeven bijdragen kunnen we stellen dat iedere bijdrage op zich een afgewerkt geheel vormde, uiterst verzorgd in de voorbereiding, met soms inter-mediatisch bijzonder rijke vondsten, visueel en muzikaal (o.m. bij Hilde en Bieke). Zowel de auteurs die werden voorgesteld als de personen die aan het woord kwamen droegen bij tot de openbaring van wat die vrijheid inderdaad betekent, toen en nu. Verbanden tussen de afzonderlijke bijdragen kwamen spontaan: de apostel Paulus en Thomas Merton zijn wellicht de twee geestelijke gestaltes die het vaakst terugkamen en als brugfiguren fungeerden.

De zaal reageerde zeer meelevend: er is over de weken onderling heel wat gegroeid tussen de mensen, bijna allemaal leken. Tegen het einde van de meeste bijdragen kwam er een gesprek tot stand waarin de herkenning met het aangebodene opvallend groot was: ‘Je hoeft geen monnik of kluizenaar te zijn, zo verklaarde iemand, om fragmenten van die vrijheid en zelfs de kern ervan in je leven ontmoet te hebben en er dankbaar uit te leven’. De reeks werkte aanstekelijk op al wie eraan deelnam. Vorm en inhoud waren niet te scheiden: de vrijheid is duidelijk geen vrijblijvend onderwerp, voor niemand. ‘Wil een steen in jade nog schoner maken, dan moet je haar polijsten met een andere jade steen genomen aan een andere berg’ (Chinees gezegde). De zeven bijdragen lieten ons toe onze eigen steen te polijsten met stenen, genomen van andere, soms verre bergen. Een dankbare vreugde – het zegel van wat ware vrijheid bewerkt –  trilde verder na, voorbij de laatste woorden van de laatste toespraak. Tot een volgend seizoen, insch’Allah?

Br Benoît Standaert.

 

 

 

 

 

 
Copyright © 2002 Sint-Andriesabdij Zevenkerken . All rights reserved Laatst bijgewerkt: 09 april 2007